Woordenlijst
Afrikaans – Bijwoordenoefening
bijna
Het is bijna middernacht.
genoeg
Ze wil slapen en heeft genoeg van het lawaai.
ook
Haar vriendin is ook dronken.
daar
Het doel is daar.
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
samen
De twee spelen graag samen.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
half
Het glas is half leeg.
ook
De hond mag ook aan tafel zitten.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
nooit
Men moet nooit opgeven.