Woordenlijst
Afrikaans – Bijwoordenoefening
weg
Hij draagt de prooi weg.
erop
Hij klimt op het dak en zit erop.
eerst
Veiligheid komt eerst.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
nu
Moet ik hem nu bellen?
iets
Ik zie iets interessants!
binnenkort
Hier wordt binnenkort een commercieel gebouw geopend.
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
altijd
Hier was altijd een meer.
daar
Ga daarheen, vraag dan opnieuw.
niet
Ik hou niet van de cactus.