Woordenlijst
Spaans – Bijwoordenoefening
te veel
Hij heeft altijd te veel gewerkt.
de hele dag
De moeder moet de hele dag werken.
altijd
Je kunt ons altijd bellen.
in
Ze springen in het water.
al
Hij slaapt al.
iets
Ik zie iets interessants!
lang
Ik moest lang in de wachtkamer wachten.
opnieuw
Ze ontmoetten elkaar opnieuw.
samen
We leren samen in een kleine groep.
nu
Moet ik hem nu bellen?
gisteren
Het regende hard gisteren.