Woordenlijst
Servisch – Bijwoordenoefening
al
Het huis is al verkocht.
iets
Ik zie iets interessants!
morgen
Niemand weet wat morgen zal zijn.
maar
Het huis is klein maar romantisch.
naar beneden
Ze springt naar beneden in het water.
buiten
Het zieke kind mag niet naar buiten.
beneden
Hij ligt beneden op de vloer.
samen
We leren samen in een kleine groep.
net
Ze is net wakker geworden.
weg
Hij draagt de prooi weg.
bijna
De tank is bijna leeg.