Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/77581051.webp
offrire
Cosa mi offri per il mio pesce?
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
cms/verbs-webp/122479015.webp
tagliare
Il tessuto viene tagliato su misura.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cms/verbs-webp/104476632.webp
lavare
Non mi piace lavare i piatti.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
cms/verbs-webp/98977786.webp
nominare
Quanti paesi puoi nominare?
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
cms/verbs-webp/87153988.webp
promuovere
Dobbiamo promuovere alternative al traffico automobilistico.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
cms/verbs-webp/62175833.webp
scoprire
I marinai hanno scoperto una nuova terra.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
cms/verbs-webp/125400489.webp
lasciare
I turisti lasciano la spiaggia a mezzogiorno.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
cms/verbs-webp/113393913.webp
fermarsi
I taxi si sono fermati alla fermata.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
cms/verbs-webp/80116258.webp
valutare
Lui valuta le prestazioni dell’azienda.
evalueren
Hij evalueert de prestaties van het bedrijf.
cms/verbs-webp/125385560.webp
lavare
La madre lava suo figlio.
wassen
De moeder wast haar kind.
cms/verbs-webp/94153645.webp
piangere
Il bambino piange nella vasca da bagno.
huilen
Het kind huilt in het bad.
cms/verbs-webp/101158501.webp
ringraziare
Lui l’ha ringraziata con dei fiori.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.