Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
verwijderen
De vakman heeft de oude tegels verwijderd.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
slapen
De baby slaapt.
liggen
Ze waren moe en gingen liggen.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
achterna rennen
De moeder rent achter haar zoon aan.
veroorzaken
Alcohol kan hoofdpijn veroorzaken.