Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
uitgeven
De uitgever geeft deze tijdschriften uit.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
werken
Ze werkt beter dan een man.