Woordenlijst
Grieks – Werkwoorden oefenen
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
naar beneden kijken
Ze kijkt naar beneden het dal in.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
verhuizen
De buurman verhuist.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
moeilijk vinden
Beiden vinden het moeilijk om afscheid te nemen.
geschikt zijn
Het pad is niet geschikt voor fietsers.