Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen
recht hebben op
Ouderen hebben recht op een pensioen.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
wekken
De wekker wekt haar om 10 uur ’s ochtends.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
vergeten
Ze wil het verleden niet vergeten.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
verlaten
De man vertrekt.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.