Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
plaatsvinden
De begrafenis vond eergisteren plaats.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.