Woordenlijst
Perzisch – Werkwoorden oefenen
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
werken aan
Hij moet aan al deze bestanden werken.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.