Woordenlijst

Leer werkwoorden – Esperanto

cms/verbs-webp/26758664.webp
ŝpari
Miaj infanoj ŝparis sian propran monon.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
cms/verbs-webp/61806771.webp
alporti
La mesaĝisto alportas pakaĵon.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
cms/verbs-webp/118003321.webp
viziti
Ŝi vizitas Parizon.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
cms/verbs-webp/28642538.webp
lasi
Hodiaŭ multaj devas lasi siajn aŭtojn senmuvaj.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
cms/verbs-webp/120900153.webp
eliri
La infanoj finfine volas eliri eksteren.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
cms/verbs-webp/129300323.webp
tuŝi
La farmisto tuŝas siajn plantojn.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
cms/verbs-webp/108556805.webp
rigardi
Mi povis rigardi la plaĝon el la fenestro.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
cms/verbs-webp/77738043.webp
komenci
La soldatoj komencas.
beginnen
De soldaten beginnen.
cms/verbs-webp/111750432.webp
pendi
Ambaŭ pendas sur branĉo.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
cms/verbs-webp/119379907.webp
diveni
Vi devas diveni kiu mi estas!
raden
Je moet raden wie ik ben!
cms/verbs-webp/111892658.webp
liveri
Li liveras picojn al domoj.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.
cms/verbs-webp/81236678.webp
manki
Ŝi mankis gravan rendevuon.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.