Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
ŝpari
Miaj infanoj ŝparis sian propran monon.
sparen
Mijn kinderen hebben hun eigen geld gespaard.
alporti
La mesaĝisto alportas pakaĵon.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
viziti
Ŝi vizitas Parizon.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
lasi
Hodiaŭ multaj devas lasi siajn aŭtojn senmuvaj.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
eliri
La infanoj finfine volas eliri eksteren.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
tuŝi
La farmisto tuŝas siajn plantojn.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
rigardi
Mi povis rigardi la plaĝon el la fenestro.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
komenci
La soldatoj komencas.
beginnen
De soldaten beginnen.
pendi
Ambaŭ pendas sur branĉo.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
diveni
Vi devas diveni kiu mi estas!
raden
Je moet raden wie ik ben!
liveri
Li liveras picojn al domoj.
bezorgen
Hij bezorgt pizza’s aan huis.