Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
spelen
Het kind speelt liever alleen.
play
The child prefers to play alone.
verdragen
Ze kan het zingen niet verdragen.
stand
She can’t stand the singing.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.
respond
She responded with a question.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
report
She reports the scandal to her friend.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
come home
Dad has finally come home!
beginnen
School begint net voor de kinderen.
start
School is just starting for the kids.
belasten
Bedrijven worden op verschillende manieren belast.
tax
Companies are taxed in various ways.
springen
Hij sprong in het water.
jump
He jumped into the water.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
hire
The company wants to hire more people.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
influence
Don’t let yourself be influenced by others!
ontwikkelen
Ze ontwikkelen een nieuwe strategie.
develop
They are developing a new strategy.