Woordenlijst

Leer werkwoorden – Litouws

cms/verbs-webp/118064351.webp
vengti
Jis turi vengti riešutų.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
cms/verbs-webp/83636642.webp
mušti
Ji muša kamuolį per tinklą.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
cms/verbs-webp/15353268.webp
išspausti
Ji išspausti citriną.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
cms/verbs-webp/113136810.webp
išsiųsti
Šis paketas bus išsiųstas greitai.
versturen
Dit pakket wordt binnenkort verstuurd.
cms/verbs-webp/75001292.webp
išvažiuoti
Kai šviesoforas pasikeitė, automobiliai išvažiavo.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
cms/verbs-webp/112970425.webp
susierzinus
Ji susierzina, nes jis visada knarkia.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
cms/verbs-webp/58292283.webp
reikalauti
Jis reikalauja kompensacijos.
eisen
Hij eist compensatie.
cms/verbs-webp/121670222.webp
sekti
Viščiukai visada seka savo motiną.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
cms/verbs-webp/113418367.webp
nuspręsti
Ji negali nuspręsti, kokius batelius dėvėti.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.
cms/verbs-webp/130288167.webp
valyti
Ji valo virtuvę.
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
cms/verbs-webp/21529020.webp
bėgti link
Mergaitė bėga link savo mamos.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
cms/verbs-webp/108286904.webp
gerti
Karvės geria vandenį iš upės.
drinken
De koeien drinken water uit de rivier.