Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
share
We need to learn to share our wealth.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
own
I own a red sports car.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
leave out
You can leave out the sugar in the tea.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
get through
The water was too high; the truck couldn’t get through.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
increase
The population has increased significantly.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
drive away
She drives away in her car.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
come home
Dad has finally come home!
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
follow
My dog follows me when I jog.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
agree
The neighbors couldn’t agree on the color.
eens zijn
De buren konden het niet eens worden over de kleur.
pass by
The two pass by each other.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
burden
Office work burdens her a lot.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.