Woordenlijst

Leer werkwoorden – Esperanto

cms/verbs-webp/92456427.webp
aĉeti
Ili volas aĉeti domon.
kopen
Ze willen een huis kopen.
cms/verbs-webp/115628089.webp
prepari
Ŝi preparas kukon.
bereiden
Ze bereidt een taart.
cms/verbs-webp/67035590.webp
salti
Li saltis en la akvon.
springen
Hij sprong in het water.
cms/verbs-webp/58993404.webp
hejmeniri
Li hejmeniras post la laboro.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
cms/verbs-webp/79322446.webp
prezenti
Li prezentas sian novan koramikinon al siaj gepatroj.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
cms/verbs-webp/120686188.webp
studi
La knabinoj ŝatas studi kune.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
cms/verbs-webp/53064913.webp
fermi
Ŝi fermas la kurtenojn.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
cms/verbs-webp/18316732.webp
veturi tra
La aŭto veturas tra arbo.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
cms/verbs-webp/115113805.webp
babili
Ili babilas kun unu la alian.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
cms/verbs-webp/121112097.webp
pentri
Mi pentris al vi belan bildon!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
cms/verbs-webp/129002392.webp
esplori
La astronautoj volas esplori la kosmon.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.
cms/verbs-webp/105681554.webp
kaŭzi
Sukero kaŭzas multajn malsanojn.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.