Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
aĉeti
Ili volas aĉeti domon.
kopen
Ze willen een huis kopen.
prepari
Ŝi preparas kukon.
bereiden
Ze bereidt een taart.
salti
Li saltis en la akvon.
springen
Hij sprong in het water.
hejmeniri
Li hejmeniras post la laboro.
naar huis gaan
Hij gaat na het werk naar huis.
prezenti
Li prezentas sian novan koramikinon al siaj gepatroj.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
studi
La knabinoj ŝatas studi kune.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
fermi
Ŝi fermas la kurtenojn.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
veturi tra
La aŭto veturas tra arbo.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
babili
Ili babilas kun unu la alian.
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
pentri
Mi pentris al vi belan bildon!
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
esplori
La astronautoj volas esplori la kosmon.
verkennen
De astronauten willen de ruimte verkennen.