Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
explain
She explains to him how the device works.
uitleggen
Ze legt hem uit hoe het apparaat werkt.
ride
They ride as fast as they can.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
start
The soldiers are starting.
beginnen
De soldaten beginnen.
sit
Many people are sitting in the room.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
look up
What you don’t know, you have to look up.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
decipher
He deciphers the small print with a magnifying glass.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
burn down
The fire will burn down a lot of the forest.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
push
The nurse pushes the patient in a wheelchair.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
understand
I can’t understand you!
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
receive
She received a very nice gift.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.