Woordenlijst

Leer werkwoorden – Deens

cms/verbs-webp/122707548.webp
stå
Bjergbestigeren står på toppen.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
cms/verbs-webp/93031355.webp
tørre
Jeg tør ikke springe i vandet.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
cms/verbs-webp/81236678.webp
misse
Hun missede en vigtig aftale.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
cms/verbs-webp/122398994.webp
dræbe
Vær forsigtig, du kan dræbe nogen med den økse!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
cms/verbs-webp/132030267.webp
forbruge
Hun forbruger et stykke kage.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
cms/verbs-webp/75508285.webp
glæde sig
Børn glæder sig altid til sne.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
cms/verbs-webp/108295710.webp
stave
Børnene lærer at stave.
spellen
De kinderen leren spellen.
cms/verbs-webp/51573459.webp
fremhæve
Du kan fremhæve dine øjne godt med makeup.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
cms/verbs-webp/63457415.webp
forenkle
Man skal forenkle komplicerede ting for børn.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
cms/verbs-webp/123211541.webp
sne
Det har sneet meget i dag.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
cms/verbs-webp/90539620.webp
Tiden går nogle gange langsomt.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
cms/verbs-webp/68761504.webp
tjekke
Tandlægen tjekker patientens tandsæt.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.