Woordenlijst
Leer werkwoorden – Deens
stå
Bjergbestigeren står på toppen.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
tørre
Jeg tør ikke springe i vandet.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
misse
Hun missede en vigtig aftale.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
dræbe
Vær forsigtig, du kan dræbe nogen med den økse!
doden
Pas op, je kunt iemand doden met die bijl!
forbruge
Hun forbruger et stykke kage.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
glæde sig
Børn glæder sig altid til sne.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.
stave
Børnene lærer at stave.
spellen
De kinderen leren spellen.
fremhæve
Du kan fremhæve dine øjne godt med makeup.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.
forenkle
Man skal forenkle komplicerede ting for børn.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
sne
Det har sneet meget i dag.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
gå
Tiden går nogle gange langsomt.
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.