Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
accept
Credit cards are accepted here.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
pass by
The two pass by each other.
aanrijden
Een fietser werd aangereden door een auto.
run over
A cyclist was run over by a car.
meerijden
Mag ik met je meerijden?
ride along
May I ride along with you?
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
remind
The computer reminds me of my appointments.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
love
She really loves her horse.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
cover
The child covers its ears.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
travel
He likes to travel and has seen many countries.
beginnen
De soldaten beginnen.
start
The soldiers are starting.
voltooien
Ze hebben de moeilijke taak voltooid.
complete
They have completed the difficult task.
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
protect
Children must be protected.