Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
voorberei
Hulle berei ’n heerlike maaltyd voor.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
genoeg wees
Dit is genoeg, jy irriteer!
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!
optel
Ons moet al die appels optel.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
eindig
Die roete eindig hier.
eindigen
De route eindigt hier.
verbygaan
Die twee gaan by mekaar verby.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
ry
Kinders hou daarvan om fietse of stootskooters te ry.
rijden
Kinderen rijden graag op fietsen of steps.
’n toespraak gee
Die politikus gee ’n toespraak voor baie studente.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
walg
Sy walg vir spinnekoppe.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
bedek
Die waterlelies bedek die water.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
sien
Jy kan beter sien met brille.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
kyk na
Hy kyk na wie daar woon.
controleren
Hij controleert wie daar woont.