Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
pluk
Sy het ’n appel gepluk.
plukken
Ze plukte een appel.
rondreis
Ek het baie rond die wêreld gereis.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
druk
Hulle druk die man in die water.
duwen
Ze duwen de man het water in.
stap
Hy hou daarvan om in die woud te stap.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
gaan loer
Die dokters gaan elke dag by die pasiënt loer.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
behoort
My vrou behoort aan my.
toebehoren
Mijn vrouw behoort mij toe.
bedek
Die waterlelies bedek die water.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
bevat
Vis, kaas, en melk bevat baie proteïen.
bevatten
Vis, kaas en melk bevatten veel eiwitten.
oor die weg kom
Beëindig jou stryd en kom eindelik oor die weg!
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
proe
Dit proe regtig lekker!
smaken
Dit smaakt echt goed!
praat met
Iemand moet met hom praat; hy’s so eensaam.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.