Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
ontslaan
My baas het my ontslaan.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
raak
Hy het haar teer aangeraak.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
brand
Hy het ’n lucifer gebrand.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.
versorg
Ons opsigter sorg vir sneeuverwydering.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
voel
Hy voel dikwels alleen.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
buite gaan
Die kinders wil uiteindelik buite gaan.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
opstaan en praat
Wie iets weet, mag in die klas opstaan en praat.
opmerken
Wie iets weet, mag in de klas opmerken.
beweeg
Dit is gesond om baie te beweeg.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
verf
Die motor word blou geverf.
schilderen
De auto wordt blauw geschilderd.
waag
Ek waag nie om in die water te spring nie.
durven
Ik durf niet in het water te springen.
opsy sit
Ek wil elke maand ’n bietjie geld opsy sit vir later.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.