Woordenlijst
Leer werkwoorden – Portugees (BR)
reencontrar
Eles finalmente se reencontram.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
dividir
Eles dividem as tarefas domésticas entre si.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
receber
Ela recebeu um presente muito bonito.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
desligar
Ela desliga a eletricidade.
uitzetten
Ze zet de elektriciteit uit.
precisar
Estou com sede, preciso de água!
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!
explicar
Vovô explica o mundo ao seu neto.
uitleggen
Opa legt de wereld uit aan zijn kleinzoon.
queimar
A carne não deve queimar na grelha.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
se virar
Ela tem que se virar com pouco dinheiro.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
relatar
Ela relata o escândalo para sua amiga.
melden
Ze meldt het schandaal aan haar vriendin.
pular
A criança está pulando feliz.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
pensar
Você tem que pensar muito no xadrez.
denken
Je moet veel denken bij schaken.