Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
hang
Albei hang aan ’n tak.
hangen
Ze hangen beide aan een tak.
deel
Ons moet leer om ons rykdom te deel.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
nooi
Ons nooi jou na ons Oud en Nuwe partytjie.
uitnodigen
Wij nodigen je uit voor ons oudejaarsfeest.
dans
Hulle dans ’n tango uit liefde.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
staan op
Sy kan nie meer op haar eie staan nie.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
vertrek
Die trein vertrek.
vertrekken
De trein vertrekt.
verken
Mense wil Mars verken.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
stuur
Ek het vir jou ’n boodskap gestuur.
sturen
Ik heb je een bericht gestuurd.
vashaak
Ek’s vasgehaak en kan nie ’n uitweg vind nie.
vastzitten
Ik zit vast en kan geen uitweg vinden.
slaap
Die baba slaap.
slapen
De baby slaapt.
lê
Die kinders lê saam in die gras.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.