Woordenlijst

Leer werkwoorden – Zweeds

cms/verbs-webp/80332176.webp
understryka
Han underströk sitt påstående.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
cms/verbs-webp/99725221.webp
ljuga
Ibland måste man ljuga i en nödsituation.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
cms/verbs-webp/110045269.webp
fullfölja
Han fullföljer sin joggingrunda varje dag.
voltooien
Hij voltooit elke dag zijn jogroute.
cms/verbs-webp/120086715.webp
färdigställa
Kan du färdigställa pusslet?
voltooien
Kun je de puzzel voltooien?
cms/verbs-webp/80060417.webp
köra iväg
Hon kör iväg i sin bil.
wegrijden
Ze rijdt weg in haar auto.
cms/verbs-webp/86710576.webp
avresa
Våra semester gäster avreste igår.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
cms/verbs-webp/93947253.webp
Många människor dör i filmer.
sterven
Veel mensen sterven in films.
cms/verbs-webp/129235808.webp
lyssna
Han gillar att lyssna på sin gravida frus mage.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.
cms/verbs-webp/78309507.webp
klippa ut
Formerna behöver klippas ut.
uitknippen
De vormen moeten worden uitgeknipt.
cms/verbs-webp/106997420.webp
lämna orörd
Naturen lämnades orörd.
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
cms/verbs-webp/125402133.webp
röra
Han rörde henne ömt.
aanraken
Hij raakte haar teder aan.
cms/verbs-webp/108118259.webp
glömma
Hon har glömt hans namn nu.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.