Woordeskat

Leer Werkwoorde – Nederlands

cms/verbs-webp/49374196.webp
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
ontslaan
My baas het my ontslaan.
cms/verbs-webp/105504873.webp
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
wil uitgaan
Sy wil haar hotel verlaat.
cms/verbs-webp/117284953.webp
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
uitsoek
Sy soek ’n nuwe sonbril uit.
cms/verbs-webp/98977786.webp
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
noem
Hoeveel lande kan jy noem?
cms/verbs-webp/120655636.webp
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
opdateer
Deesdae moet jy jou kennis voortdurend opdateer.
cms/verbs-webp/101765009.webp
begeleiden
De hond begeleidt hen.
vergesel
Die hond vergesel hulle.
cms/verbs-webp/114052356.webp
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
cms/verbs-webp/91930542.webp
stoppen
De agente stopt de auto.
stop
Die polisievrou stop die kar.
cms/verbs-webp/59121211.webp
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
lui
Wie het die deurbel gelui?
cms/verbs-webp/121264910.webp
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
cms/verbs-webp/61389443.webp
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
Die kinders lê saam in die gras.
cms/verbs-webp/33599908.webp
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
dien
Honde hou daarvan om hulle eienaars te dien.