Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
ontslaan
My baas het my ontslaan.
willen verlaten
Ze wil haar hotel verlaten.
wil uitgaan
Sy wil haar hotel verlaat.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
uitsoek
Sy soek ’n nuwe sonbril uit.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
noem
Hoeveel lande kan jy noem?
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
opdateer
Deesdae moet jy jou kennis voortdurend opdateer.
begeleiden
De hond begeleidt hen.
vergesel
Die hond vergesel hulle.
branden
Het vlees mag niet branden op de grill.
brand
Die vleis moet nie op die rooster brand nie.
stoppen
De agente stopt de auto.
stop
Die polisievrou stop die kar.
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
lui
Wie het die deurbel gelui?
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
sny op
Vir die slaai moet jy die komkommer op sny.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
lê
Die kinders lê saam in die gras.