Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
klemme ut
Hun klemmer ut sitronen.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
forberede
Hun forberedte ham stor glede.
bereiden
Ze bereidde hem groot plezier.
dekke
Barnet dekker ørene sine.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
ringe
Hun kan bare ringe i lunsjpausen.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
forvente
Min søster forventer et barn.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
bevise
Han vil bevise en matematisk formel.
bewijzen
Hij wil een wiskundige formule bewijzen.
stille ut
Moderne kunst blir stilt ut her.
tentoonstellen
Hier wordt moderne kunst tentoongesteld.
introdusere
Han introduserer sin nye kjæreste for foreldrene sine.
voorstellen
Hij stelt zijn nieuwe vriendin voor aan zijn ouders.
bekrefte
Hun kunne bekrefte den gode nyheten til mannen sin.
bevestigen
Ze kon het goede nieuws aan haar man bevestigen.
dele
Vi må lære å dele vår rikdom.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
kjøre rundt
Bilene kjører rundt i en sirkel.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.