Ordforråd
Lær verb – nederlandsk
spelen
Het kind speelt liever alleen.
leke
Barnet foretrekker å leke alene.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
kaste til
De kaster ballen til hverandre.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
tale ut
Hun ønsker å tale ut til vennen sin.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
forbedre
Hun vil forbedre figuren sin.
weigeren
Het kind weigert zijn eten.
nekte
Barnet nekter maten sin.
schilderen
Ik heb een mooi schilderij voor je geschilderd!
male
Jeg har malt et vakkert bilde til deg!
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
søke etter
Politiet søker etter gjerningsmannen.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
male
Hun har malt hendene sine.
durven
Ze durfden uit het vliegtuig te springen.
tørre
De tørret å hoppe ut av flyet.
samenwerken
We werken samen als een team.
samarbeide
Vi samarbeider som et lag.
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
fjerne
Hvordan kan man fjerne en rødvinflekk?