Woordenlijst
Leer werkwoorden – Italiaans
scappare
Il nostro gatto è scappato.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
creare
Chi ha creato la Terra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
raccogliere
Abbiamo raccolto molto vino.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
commentare
Lui commenta la politica ogni giorno.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
esercitare
Lei esercita una professione insolita.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
controllare
Il meccanico controlla le funzioni dell’auto.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
mescolare
Vari ingredienti devono essere mescolati.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
nevicare
Oggi ha nevicato molto.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
smontare
Nostro figlio smonta tutto!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
sorprendere
Lei ha sorpreso i suoi genitori con un regalo.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
decifrare
Lui decifra il piccolo stampato con una lente d’ingrandimento.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.