Woordenlijst

Leer werkwoorden – Italiaans

cms/verbs-webp/43956783.webp
scappare
Il nostro gatto è scappato.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
cms/verbs-webp/61826744.webp
creare
Chi ha creato la Terra?
creëren
Wie heeft de aarde gecreëerd?
cms/verbs-webp/118759500.webp
raccogliere
Abbiamo raccolto molto vino.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
cms/verbs-webp/97335541.webp
commentare
Lui commenta la politica ogni giorno.
becommentariëren
Hij becommentarieert elke dag de politiek.
cms/verbs-webp/859238.webp
esercitare
Lei esercita una professione insolita.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
cms/verbs-webp/123546660.webp
controllare
Il meccanico controlla le funzioni dell’auto.
controleren
De monteur controleert de functies van de auto.
cms/verbs-webp/128159501.webp
mescolare
Vari ingredienti devono essere mescolati.
mengen
Verschillende ingrediënten moeten worden gemengd.
cms/verbs-webp/123211541.webp
nevicare
Oggi ha nevicato molto.
sneeuwen
Het heeft vandaag veel gesneeuwd.
cms/verbs-webp/32180347.webp
smontare
Nostro figlio smonta tutto!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
cms/verbs-webp/125884035.webp
sorprendere
Lei ha sorpreso i suoi genitori con un regalo.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
cms/verbs-webp/79582356.webp
decifrare
Lui decifra il piccolo stampato con una lente d’ingrandimento.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
cms/verbs-webp/114993311.webp
vedere
Puoi vedere meglio con gli occhiali.
zien
Je kunt beter zien met een bril.