Woordenlijst

Leer werkwoorden – Frans

cms/verbs-webp/91367368.webp
se promener
La famille se promène le dimanche.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
cms/verbs-webp/61245658.webp
sauter hors de
Le poisson saute hors de l’eau.
uitspringen
De vis springt uit het water.
cms/verbs-webp/124458146.webp
confier
Les propriétaires me confient leurs chiens pour une promenade.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
cms/verbs-webp/81986237.webp
mélanger
Elle mélange un jus de fruits.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
cms/verbs-webp/47062117.webp
se débrouiller
Elle doit se débrouiller avec peu d’argent.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cms/verbs-webp/93393807.webp
arriver
Des choses étranges arrivent dans les rêves.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
cms/verbs-webp/94555716.webp
devenir
Ils sont devenus une bonne équipe.
worden
Ze zijn een goed team geworden.
cms/verbs-webp/57207671.webp
accepter
Je ne peux pas changer cela, je dois l’accepter.
accepteren
Ik kan dat niet veranderen, ik moet het accepteren.
cms/verbs-webp/85010406.webp
sauter par-dessus
L’athlète doit sauter par-dessus l’obstacle.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
cms/verbs-webp/119747108.webp
manger
Que voulons-nous manger aujourd’hui?
eten
Wat willen we vandaag eten?
cms/verbs-webp/100585293.webp
faire demi-tour
Il faut faire demi-tour avec la voiture ici.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
cms/verbs-webp/104302586.webp
récupérer
J’ai récupéré la monnaie.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.