Vocabulaire
Apprendre les verbes – Néerlandais
bestrijden
De brandweer bestrijdt het vuur vanuit de lucht.
combattre
Les pompiers combattent le feu depuis les airs.
moeten
Men zou veel water moeten drinken.
devoir
On devrait boire beaucoup d’eau.
stoppen
Je moet stoppen bij het rode licht.
arrêter
Vous devez vous arrêter au feu rouge.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
revoir
Ils se revoient enfin.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
partager
Nous devons apprendre à partager notre richesse.
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
presser
Elle presse le citron.
herinneren
De computer herinnert me aan mijn afspraken.
rappeler
L’ordinateur me rappelle mes rendez-vous.
wachten
Ze wacht op de bus.
attendre
Elle attend le bus.
vormen
We vormen samen een goed team.
former
Nous formons une bonne équipe ensemble.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
suivre la réflexion
Il faut suivre la réflexion dans les jeux de cartes.
voorzien
Strandstoelen worden voor de vakantiegangers voorzien.
fournir
Des chaises longues sont fournies pour les vacanciers.