Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
verdwalen
Het is gemakkelijk om in het bos te verdwalen.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
bereiden
Er wordt een heerlijk ontbijt bereid!
schrijven
Hij schrijft een brief.
bereiden
Ze bereidt een taart.
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
wassen
De moeder wast haar kind.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.