Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
kopen
Ze willen een huis kopen.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
verbazen
Ze was verbaasd toen ze het nieuws ontving.
verwachten
Mijn zus verwacht een kind.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.