Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
schrijven naar
Hij schreef me vorige week.
escribir a
Me escribió la semana pasada.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examinar
En este laboratorio se examinan muestras de sangre.
meedenken
Je moet meedenken bij kaartspellen.
pensar junto
Tienes que pensar junto en los juegos de cartas.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
molestarse
Ella se molesta porque él siempre ronca.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
pensar
Ella siempre tiene que pensar en él.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
pasar
Los dos se pasan uno al otro.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
recoger
Tenemos que recoger todas las manzanas.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
pasar
El tren nos está pasando.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
apoderarse de
Las langostas se han apoderado.
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
hablar
Él habla a su audiencia.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
circular
Los coches circulan en círculo.