Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
smaken
Dit smaakt echt goed!
taste
This tastes really good!
denken
Ze moet altijd aan hem denken.
think
She always has to think about him.
staan
De bergbeklimmer staat op de top.
stand
The mountain climber is standing on the peak.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
enter
The subway has just entered the station.
bedekken
Het kind bedekt zichzelf.
cover
The child covers itself.
bouwen
Wanneer werd de Chinese Muur gebouwd?
build
When was the Great Wall of China built?
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
call on
My teacher often calls on me.
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
get a turn
Please wait, you’ll get your turn soon!
monitoren
Alles wordt hier door camera’s gemonitord.
monitor
Everything is monitored here by cameras.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
report to
Everyone on board reports to the captain.
voeden
De kinderen voeden het paard.
feed
The kids are feeding the horse.