Wortschatz
Lernen Sie Verben – Niederländisch
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
weglassen
Du kannst den Zucker im Tee weglassen.
afbranden
Het vuur zal een groot deel van het bos afbranden.
niederbrennen
Das Feuer wird viel Wald niederbrennen.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
wiedersehen
Sie sehen endlich einander wieder.
stoppen
Ik wil nu stoppen met roken!
aufhören
Ab sofort will ich mit dem Rauchen aufhören!
beschermen
Kinderen moeten beschermd worden.
beschützen
Kinder muss man beschützen.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
beginnen
Mit der Ehe beginnt ein neues Leben.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
heimfahren
Nach dem Einkauf fahren die beiden heim.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
garantieren
Eine Versicherung garantiert Schutz bei Unfällen.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
Bücher und Zeitungen werden gedruckt.
drinken
Ze drinkt thee.
trinken
Sie trinkt Tee.
voeden
De kinderen voeden het paard.
füttern
Die Kinder füttern das Pferd.