Woordeskat
Leer Werkwoorde – Nederlands
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
ry
Hulle ry so vinnig as wat hulle kan.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
oefen
Sy oefen ’n ongewone beroep uit.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
ondersoek
Bloed monsters word in hierdie laboratorium ondersoek.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
walg
Sy walg vir spinnekoppe.
oogsten
We hebben veel wijn geoogst.
oes
Ons het baie wyn geoest.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
verstaan
Ek kan jou nie verstaan nie!
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
vergeet
Sy het nou sy naam vergeet.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
gebeur
’n Ongeluk het hier gebeur.
plezier hebben
We hebben veel plezier gehad op de kermis!
pret hê
Ons het baie pret by die kermis gehad!
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
veroorsaak
Suiker veroorsaak baie siektes.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
skakel af
Sy skakel die alarmklok af.