Woordenlijst
Leer werkwoorden – Afrikaans
geld uitgee
Ons moet baie geld aan herstelwerk spandeer.
geld uitgeven
We moeten veel geld uitgeven aan reparaties.
werk
Die motorfiets is stukkend; dit werk nie meer nie.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
vereenvoudig
Jy moet ingewikkelde dinge vir kinders vereenvoudig.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
oorneem
Die sprinkane het oorgeneem.
overnemen
De sprinkhanen hebben de overhand genomen.
dank
Hy het haar met blomme gedank.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
verder gaan
Jy kan nie enige verder op hierdie punt gaan nie.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
antwoord
Sy antwoord altyd eerste.
antwoorden
Zij antwoordt altijd eerst.
help
Almal help om die tent op te slaan.
helpen
Iedereen helpt de tent opzetten.
bewus wees van
Die kind is bewus van sy ouers se argument.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
lui
Wie het die deurbel gelui?
bellen
Wie heeft er aan de deurbel gebeld?
deel
Ons moet leer om ons rykdom te deel.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.