Vocabolario
Impara i verbi – Olandese
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
occuparsi di
Il nostro custode si occupa della rimozione della neve.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
allontanare
Un cigno ne allontana un altro.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
saltellare
Il bambino salta felicemente in giro.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
immaginare
Lei immagina qualcosa di nuovo ogni giorno.
bedekken
De waterlelies bedekken het water.
coprire
Le ninfee coprono l’acqua.
opstaan
Ze kan niet meer zelfstandig opstaan.
alzarsi
Lei non riesce più ad alzarsi da sola.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.
cavarsela
Lei deve cavarsela con poco denaro.
investeren
Waar moeten we ons geld in investeren?
investire
In cosa dovremmo investire i nostri soldi?
uitknijpen
Ze knijpt de citroen uit.
spremere
Lei spreme il limone.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
partire
Quando il semaforo ha cambiato, le auto sono partite.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
prendere un certificato medico
Lui deve prendere un certificato medico dal dottore.