Woordenlijst
Portugees (PT) – Werkwoorden oefenen
leiden
Hij leidt graag een team.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
springen
Hij sprong in het water.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
accepteren
Creditcards worden hier geaccepteerd.
bedanken
Hij bedankte haar met bloemen.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
aankomen
Veel mensen komen op vakantie met een camper aan.
walgen van
Ze walgde van spinnen.