Woordenlijst
Litouws – Werkwoorden oefenen
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
opzij zetten
Ik wil elke maand wat geld opzij zetten voor later.
imiteren
Het kind imiteert een vliegtuig.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
duwen
Ze duwen de man het water in.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
activeren
De rook activeerde het alarm.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.