Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
wachten
We moeten nog een maand wachten.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
zijn
Je moet niet verdrietig zijn!
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
bang zijn
Het kind is bang in het donker.
inrichten
Mijn dochter wil haar appartement inrichten.