Woordenlijst
Marathi – Werkwoorden oefenen
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
activeren
De rook activeerde het alarm.
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.
zoeken
Ik zoek paddenstoelen in de herfst.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.