Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
spreken
Hij spreekt tot zijn publiek.
oprapen
We moeten alle appels oprapen.
ontmoeten
De vrienden ontmoetten elkaar voor een gezamenlijk diner.
beginnen
De soldaten beginnen.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
haten
De twee jongens haten elkaar.
dansen
Ze dansen verliefd een tango.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.