Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.
genoeg zijn
Dat is genoeg, je irriteert!
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
overdoen
De student heeft een jaar overgedaan.
sturen
Ik stuur je een brief.
gooien naar
Ze gooien de bal naar elkaar.
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.