Woordenlijst
Hebreeuws – Werkwoorden oefenen
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
beperken
Moet handel worden beperkt?
gooien
Hij gooit de bal in de mand.
wandelen
De groep wandelde over een brug.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
bespreken
Ze bespreken hun plannen.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
binnenlaten
Buiten sneeuwde het en we lieten ze binnen.