Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
onaangeroerd laten
De natuur werd onaangeroerd gelaten.
ondertekenen
Hij ondertekende het contract.
controleren
De tandarts controleert de tanden.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
trekken
Hoe gaat hij die grote vis eruit trekken?
dienen
Honden dienen graag hun baasjes.
studeren
De meisjes studeren graag samen.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
genoeg zijn
Een salade is voor mij genoeg voor de lunch.
houden van
Ze houdt heel veel van haar kat.