Vocabulario
Aprender verbos – neerlandés
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
entrar
El barco está entrando en el puerto.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
mentir
A menudo miente cuando quiere vender algo.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
dejar pasar
Nadie quiere dejarlo pasar en la caja del supermercado.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
informar
Todos a bordo informan al capitán.
raden
Je moet raden wie ik ben!
adivinar
Tienes que adivinar quién soy.
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
publicar
El editor ha publicado muchos libros.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
partir
El barco parte del puerto.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
gustar
A ella le gusta más el chocolate que las verduras.
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
pintar
Quiero pintar mi apartamento.
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examinar
En este laboratorio se examinan muestras de sangre.
knippen
De kapper knipt haar haar.
cortar
El peluquero le corta el pelo.