Vocabulario

Aprender verbos – neerlandés

cms/verbs-webp/4553290.webp
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
entrar
El barco está entrando en el puerto.
cms/verbs-webp/114231240.webp
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
mentir
A menudo miente cuando quiere vender algo.
cms/verbs-webp/95655547.webp
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
dejar pasar
Nadie quiere dejarlo pasar en la caja del supermercado.
cms/verbs-webp/82845015.webp
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
informar
Todos a bordo informan al capitán.
cms/verbs-webp/119379907.webp
raden
Je moet raden wie ik ben!
adivinar
Tienes que adivinar quién soy.
cms/verbs-webp/102731114.webp
publiceren
De uitgever heeft veel boeken gepubliceerd.
publicar
El editor ha publicado muchos libros.
cms/verbs-webp/22225381.webp
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
partir
El barco parte del puerto.
cms/verbs-webp/118868318.webp
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
gustar
A ella le gusta más el chocolate que las verduras.
cms/verbs-webp/66787660.webp
schilderen
Ik wil mijn appartement schilderen.
pintar
Quiero pintar mi apartamento.
cms/verbs-webp/73488967.webp
onderzoeken
Bloedmonsters worden in dit lab onderzocht.
examinar
En este laboratorio se examinan muestras de sangre.
cms/verbs-webp/102114991.webp
knippen
De kapper knipt haar haar.
cortar
El peluquero le corta el pelo.
cms/verbs-webp/104818122.webp
repareren
Hij wilde de kabel repareren.
reparar
Quería reparar el cable.