Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
lukken
Deze keer is het niet gelukt.
work out
It didn’t work out this time.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
depend
He is blind and depends on outside help.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
begin
A new life begins with marriage.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
persuade
She often has to persuade her daughter to eat.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.
come easy
Surfing comes easily to him.
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
train
Professional athletes have to train every day.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
pursue
The cowboy pursues the horses.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
happen
An accident has happened here.
missen
Hij miste de kans op een doelpunt.
miss
He missed the chance for a goal.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
miss
The man missed his train.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
visit
She is visiting Paris.