Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
voorbijgaan
De tijd gaat soms langzaam voorbij.
pass
Time sometimes passes slowly.
toenemen
De bevolking is sterk toegenomen.
increase
The population has increased significantly.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
jump over
The athlete must jump over the obstacle.
volgen
De kuikens volgen altijd hun moeder.
follow
The chicks always follow their mother.
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
remove
How can one remove a red wine stain?
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
mention
The boss mentioned that he will fire him.
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
find again
I couldn’t find my passport after moving.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
sleep in
They want to finally sleep in for one night.
serveren
De ober serveert het eten.
serve
The waiter serves the food.
luisteren naar
De kinderen luisteren graag naar haar verhalen.
listen to
The children like to listen to her stories.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
go further
You can’t go any further at this point.