Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (UK)
burden
Office work burdens her a lot.
belasten
Kantoorwerk belast haar erg.
turn around
You have to turn the car around here.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
thank
I thank you very much for it!
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
call
The boy calls as loud as he can.
roepen
De jongen roept zo luid als hij kan.
produce
We produce our own honey.
produceren
We produceren onze eigen honing.
cry
The child is crying in the bathtub.
huilen
Het kind huilt in het bad.
fire
My boss has fired me.
ontslaan
Mijn baas heeft me ontslagen.
talk badly
The classmates talk badly about her.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
walk
He likes to walk in the forest.
wandelen
Hij wandelt graag in het bos.
start
School is just starting for the kids.
beginnen
School begint net voor de kinderen.
cancel
He unfortunately canceled the meeting.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.